Stel je voor: er gaan geruchten rond over je bank. Vroeger moest je in de rij staan om je geld op te nemen. Nu tik je een paar keer op je telefoon en staat je spaargeld binnen enkele seconden ergens anders. Dat gemak is precies wat stablecoins zo populair maakt, en volgens toezichthouders kan het in een crisis ook gevaarlijk zijn.
Wat is een stablecoin ook alweer?
Een stablecoin is een cryptomunt die zijn waarde koppelt aan een gewone munteenheid, meestal de dollar of de euro. Eén munt hoort dus altijd ongeveer één dollar of één euro waard te zijn. De uitgever houdt daarvoor reserves aan, zoals cash op bankrekeningen en kortlopend staatspapier.
Je kunt het zien als digitaal contant geld dat dag en nacht over een blockchain reist. Geen bankwerkdagen, geen wachttijd. Voor handelaren, bedrijven en mensen die geld over de grens sturen is dat erg handig, en dat verklaart waarom de markt de afgelopen tijd zo snel groeit.
Handig in rustige tijden, riskant als het stormt
Zolang alles rustig is, merk je weinig van de keerzijde. Maar toezichthouders kijken verder vooruit. Hun zorg: als het vertrouwen in banken wankelt, kunnen stablecoins werken als een versneller die grote geldstromen razendsnel uit banken wegtrekt.
Waarom is dat zo? Een bank leent het meeste geld dat je erop zet weer uit. Er ligt dus nooit genoeg cash in de kluis om iedereen tegelijk uit te betalen. Dat systeem werkt prima, zolang niet iedereen op hetzelfde moment zijn geld terugvraagt. Gebeurt dat wel, dan heb je een bankrun.
Stablecoins maken het overstappen naar een alternatief dat aanvoelt als veilige dollars een stuk makkelijker. Vergelijk het met een brandend gebouw: hoe breder de nooduitgang, hoe sneller de zaal leeg is. Voor de mensen die vluchten is dat goed nieuws. Voor de bank die achterblijft niet.
Het werkt ook andersom
Het risico loopt niet maar één kant op. Stablecoin-uitgevers parkeren hun reserves zelf ook voor een deel bij banken. Dat kon je goed zien toen de Amerikaanse Silicon Valley Bank omviel. Circle, de uitgever van USDC, had daar een deel van zijn reserves staan, en de stablecoin verloor tijdelijk zijn koppeling met de dollar.
Een probleem bij een bank kan dus overslaan naar een stablecoin, en paniek rond een stablecoin kan weer doorwerken naar de banken en de markt voor staatsobligaties. Als een grote uitgever in korte tijd veel reserves moet verkopen om uitbetalingen te doen, zet dat druk op markten die normaal juist als rustig en veilig gelden. Toezichthouders noemen dat besmetting: het vuur springt over van het ene gebouw naar het andere.
Hoe Europa en de VS dit proberen te temmen
Regelgevers zitten niet stil. In Europa geldt de MiCA-verordening, die uitgevers van stablecoins verplicht om vergunningen te hebben, reserves aan te houden en houders altijd tegen de nominale waarde te laten terugwisselen. Daarom zie je in Nederland bij Europese platforms vooral stablecoins die aan die regels voldoen. In de Verenigde Staten is met de GENIUS Act een eigen kader voor dollar-stablecoins gekomen.
Die regels maken stablecoins wel betrouwbaarder, maar ze nemen het onderliggende spanningsveld niet weg. Juist omdat een goed gereguleerde stablecoin als veilig wordt gezien, kan hij in paniek de plek worden waar iedereen tegelijk naartoe vlucht. Meer vertrouwen in de nooduitgang betekent ook dat mensen er sneller doorheen rennen.
De vraag die nog openligt
Waar het de komende tijd op aankomt, is hoe groot stablecoins mogen worden voordat ze echt invloed krijgen op de stabiliteit van banken. Zolang ze vooral binnen de cryptomarkt worden gebruikt, blijft het effect beperkt. Maar nu banken, betaalbedrijven en grote fintechs zelf stablecoins uitgeven of ondersteunen, schuift de technologie steeds dichter naar het hart van het gewone geldsysteem.
Toezichthouders zoeken daarom naar extra remmen, zoals limieten op hoeveel stablecoins je mag aanhouden of strengere eisen aan waar uitgevers hun reserves bewaren. Of die maatregelen in een echte crisis snel genoeg werken, is nog nooit op grote schaal getest. En dat is precies wat hen onrustig maakt.




