Stel je twee spoornetwerken voor. Het ene is een privélijn van één bedrijf, met eigen rails, eigen regels en een hek eromheen. Het andere is een openbaar spoor waar iedereen op mag rijden, mits je je aan de dienstregeling houdt. Beide brengen je van A naar B. Maar het openbare net verbindt veel meer plekken met elkaar. Precies dat verschil staat nu centraal in een discussie tussen Wall Street en de Ethereum-wereld.
Grote financiële partijen zijn de laatste jaren dol op zogeheten private blockchains: gesloten netwerken die door één partij of een klein clubje worden beheerd. Een prominente Ethereum-voorvechter, Raman, noemt die obsessie een ‘race naar beneden’. Zijn punt: zonder een open, transparante basis mis je juist de voordelen waarvoor blockchain-techniek is bedoeld.
Wat is nou eigenlijk een private blockchain?
Even terug naar de basis. Een blockchain is een gedeeld grootboek: een lijst met transacties die niet zomaar aan te passen is. Bij een publieke blockchain zoals Ethereum kan iedereen meedoen, meekijken en de boeken controleren. Bij een private, of ‘permissioned’, variant krijg je alleen toegang met toestemming. Een bank bepaalt dan wie mee mag draaien en wie niet.
Voor financiële instellingen klinkt dat aantrekkelijk. Ze houden de controle, kunnen aan hun compliance-regels voldoen en laten geen vreemde ogen in hun boeken kijken. Maar precies daar wringt het volgens critici. Een gesloten netwerk gedraagt zich uiteindelijk als een moderne database met een blockchain-sausje eroverheen.
Waarom een ‘race naar beneden’?
De kracht van een blockchain zit in het netwerkeffect. Hoe meer partijen op hetzelfde open systeem zitten, hoe waardevoller het wordt. Bouwt iedereen zijn eigen ommuurde tuin, dan krijg je juist een lappendeken van eilandjes die niet met elkaar praten. Dat is de ‘race naar beneden’ waar Raman op doelt: iedereen optimaliseert voor zijn eigen controle, en samen leveren ze de grootste winst in.
Er is ook een praktische les uit het verleden. Jarenlang gooiden banken geld in gezamenlijke blockchain-consortia, maar veel van die projecten liepen vast. Zo trok een reeks grote banken zich terug uit een bekend blockchain-samenwerkingsverband, zoals eerder werd beschreven. De belofte van een gesloten netwerk klonk mooi, maar de meerwaarde bleef te vaak uit.
Betekent dit dat private netwerken zinloos zijn?
Nee, en dat is een belangrijke nuance. Ook Raman erkent dat centraal beheerde, besloten netwerken een rol kunnen spelen in de financiële wereld. Denk aan situaties waarin gevoelige gegevens echt afgeschermd moeten blijven, of waar toezichthouders strikte eisen stellen. Het probleem ontstaat pas als zo’n gesloten laag helemaal op zichzelf staat.
De oplossing die hij voorstelt, is een gelaagde aanpak. Bouw je afgeschermde toepassingen bovenop een open, transparante basislaag, zodat de verschillende systemen alsnog met elkaar kunnen communiceren. Ethereum wordt daarbij graag naar voren geschoven als die neutrale onderlaag: openbaar, controleerbaar en niet in handen van één partij.
Wat kun je hier als lezer uit meenemen?
Deze discussie lijkt technisch, maar hij raakt een fundamentele vraag: van wie wordt de financiële infrastructuur van de toekomst? Kiest Wall Street voor gesloten hokjes die vooral de eigenaar dienen, of voor een gedeelde basis waar iedereen op kan voortbouwen? Het antwoord bepaalt mede hoe bruikbaar tokenisatie en digitale afwikkeling straks echt worden.
Ook voor Europese instellingen speelt dit mee. Onder regels als MiCA moeten banken en fintechs keuzes maken over welke infrastructuur ze omarmen. Kies je voor een eigen gesloten systeem, of sluit je aan bij een open netwerk waar het geld al stroomt? Wie de geschiedenis kent, ziet dat gesloten oplossingen vaak stranden. Open netwerken die iedereen mag gebruiken, hebben de neiging om te blijven.




