Investeerder Kevin O’Leary, bekend van het tv-programma Shark Tank, oriënteert zich op het aandeel IBM als alternatief voor een deel van zijn cryptoblootstelling. Hij noemt twee redenen: de groeiende zorg over kwantumcomputers en de trage voortgang van Amerikaanse cryptowetgeving. Zijn eigen bitcoin verkoopt hij niet.
Van bitcoin naar de bouwer van kwantumcomputers
De keuze voor IBM is opvallend, maar niet onlogisch. Het Amerikaanse technologieconcern is een van de partijen die het verst zijn met de ontwikkeling van kwantumcomputers en presenteert daar al jaren een publieke routekaart voor. Wie verwacht dat kwantumtechnologie een bedreiging wordt voor bestaande cryptografie, kan dus redeneren dat de bouwer van die technologie juist profiteert. O’Leary lijkt die afweging te maken: hij ziet in IBM een manier om op dezelfde ontwikkeling in te spelen die Bitcoin onder druk zet.
Daarbij hoort een kanttekening. O’Leary stapt niet uit Bitcoin. Het gaat eerder om een herweging van nieuw kapitaal dan om een afscheid van de munt.
Waarom kwantumcomputers een risico vormen
Bitcoin gebruikt elliptische-curvecryptografie om eigendom te bewijzen. Een wallet heeft een privésleutel en een daarvan afgeleide publieke sleutel. Met gewone computers is het praktisch onmogelijk om vanuit die publieke sleutel de privésleutel terug te rekenen. Een krachtige kwantumcomputer met het algoritme van Shor zou dat in theorie wel kunnen.
Het risico zit vooral bij adressen waarvan de publieke sleutel al zichtbaar is op de blockchain, zoals oude adressen uit de beginjaren en adressen die al eens gebruikt zijn. Ontwikkelaars bespreken voorstellen voor nieuwe, kwantumbestendige adrestypes. Een softwarewijziging van die omvang vraagt in het Bitcoin-netwerk echter brede consensus en kost doorgaans jaren. Die traagheid baart beleggers zorgen, ook al bestaat een kwantumcomputer die zo’n aanval aankan nog niet.
Wetgeving in Washington blijft hangen
De tweede factor is politiek. In de Verenigde Staten ligt al lange tijd wetgeving op tafel die de structuur van de cryptomarkt moet regelen, met onder meer een heldere taakverdeling tussen toezichthouders. Die wetgeving schiet minder snel op dan de sector had gehoopt. O’Leary benadrukt al langer dat grote institutionele beleggers, zoals pensioenfondsen en verzekeraars, pas op grote schaal instappen als die regels vastliggen.
Het mechanisme is eenvoudig. Een vermogensbeheerder die het geld van anderen beheert, moet kunnen uitleggen onder welk juridisch regime een belegging valt. Zolang dat onduidelijk blijft, blijft een deel van het grote kapitaal aan de zijlijn staan. Voor Bitcoin betekent dat minder structurele vraag dan voorstanders voorspellen. Europa is op dit punt verder: daar geldt de MiCA-verordening al, al regelt die vooral de dienstverleners en niet Bitcoin zelf.
Sceptici zien vooral een lange horizon
Niet iedereen deelt de zorgen in dezelfde mate. Critici van het kwantumverhaal wijzen erop dat de huidige kwantumcomputers nog ver af zijn van de rekenkracht die nodig is om Bitcoin-cryptografie te breken. Ook zouden banken, overheden en betaalsystemen eerder kwetsbaar zijn, omdat zij vergelijkbare versleuteling gebruiken. In dat scenario is Bitcoin niet het enige probleem, maar een van vele.
Voorstanders van snel ingrijpen draaien dat argument om: juist omdat een overstap in een gedecentraliseerd netwerk zo lang duurt, moet de voorbereiding nu beginnen. Wie wil zien hoe analisten de vooruitzichten verder inschatten, kan terecht bij onze Bitcoin verwachting.
Signaal van herweging, geen vlucht
De stap van O’Leary zegt vooral iets over de manier waarop sommige vermogende beleggers risico’s verdelen. Hij houdt zijn bitcoin aan, maar zoekt naast de munt blootstelling aan een technologie die de munt kan bedreigen. Dat is eerder een afdekking dan een vertrouwensbreuk. Of meer beleggers die redenering volgen, hangt af van twee dingen die nog openstaan: hoe snel ontwikkelaars met een kwantumbestendige oplossing komen en wanneer het Amerikaanse Congres de marktstructuurwet afrondt.



